Radiofrequenties en de voornaamste voortplantings modes

Samenvatting

De wijze waarop radiogolven zich voortplanten is afhanklijk van de frequentie.
 

Radiofrequenties en de voornaamste voortplantings modes

(30 mei 2010)    De wijze waarop radiogolven zich voortplanten is afhanklijk van de frequentie. We onderscheiden:

LF, Very Low Frequency, 3–30 kHz:
Voornaamste mode is de grondgolf die gevangen wordt tussen aarde en de hogere geleidende lagen in de ionosfeer. In gebruik voor betrouwbare lange afstand verbindingen. Vroeger voor telegraafverkeer, tegenwoordig voor tijdseinzenders en militaire communicatie.

LF, Low Frequency, 30–300 kHz :
Voortplanting via grondgolf die gevangen wordt tussen de aarde en de D-laag. In gebruik o.a. voor navigatie doeleinden.
Radioamateurs kunnen beschikken over een 2.7 kHz breed bandje rond 136 kHz.

MF, Medium Frequency, 300–3000 kHz :
In gebruik bij de AM omroep. Belangrijkste mode overdag is de grondgolf, de D-laag absorbeert op deze frequneties. 's Avonds, als de D-laag is verdwenen, treedt ook reflectie op aan de E en F-lagen van de ionosfeer, waardoor veel interferentie van ver weg gelegen radiozenders ontstaat.
Vroeger was 500 kHz de noodfrequentie voor de scheepvaart, maar momenteel is het in een aantal landen aan radioamateurs toegestaan te experimenteren in deze band.

HF, High Frequency (de korte golf), 3–30 MHz :
Dit is het meest gebruikte band voor wereldwijde communicatie en omroep. De radiogolven penetreren de D-laag en reflecteren aan
de bovenste lagen van de ionosfeer. Redelijk betrouwbare communicatie is bijna altijd mogelijk in een gebied van meerdere honderden kilometers. Grotere afstanden zijn sterk afhankelijk van condities, de toestand van de reflectielagen. Radioamateurs mogen op diverse bandjes in het HF gebied experimenteren.

VHF, Very High Frequency, 30–300 MHz :
De dominate mode is directzicht, voortplanting in de ruimte. Het bereik is onder normale omstandigheden sterk afhankelijk van de
antennehoogte. Standaard is de radio horizon zo'n 40 km. Onder bijzondere weersomstandigheden treedt er een temperatuur inversie op in de onderste lagen van de atmosfeer, waardoor de radiogolven de ronding van de aarde kunnen volgen. Of treden er reflecties op in hogere lagen van de ionosfeer, ten gevolge van zonneaktiviteit. In dergelijke gevallen zijn afstanden van 1000 km geen zeldzaamheid.

UHF, Ultra High Frequency, 300–3000 MHz:
Communicatie in directzicht mode. In deze band bevinden zich de FM en TV zenders en de mobile telefonie.Het bereik is tot de radiohorizon, zenders hebben niet veel vermogen nodig. Het geringe bereik maakt het mogelijk om geografisch gespreide zenders op de zelfde frequentie te gebruiken, zonder dat van wederzijdse beinvloeding sprake is. Sporadisch zijn er condities waardoor grotere afstanden overbrugd kunnen worden. Op 1.2 GHz kunnen EME verbindingen worden gemaakt, dankzij de beschikbaarheid van voldoende vermogen en richtantennes van redelijke afmetingen.

SHF, Super High Frequency, 3–30 GHz:
Directzicht verbindingen. In gebruik bij satelliet verkeer. Schotelantennes worden gebruikt voor gerichte verbindingen

EHF, Extremely High Frequency, 30–300 GHz:
Uitsluitend direct zicht verbindingen. Maar door resonantie absorptie is het bereik op sommige frequentie sterk beperkt.

(Pieter J.T.Bruinsma, PA0PHB) 
lll