Geschiedenis van de radioastronomie

Samenvatting

De 25 meter radiotelescoop heeft een nieuw leven gekregen. Na een rijke historie met belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen is het nu de beurt aan radioamateurs. De daarvoor opgerichte stichting CAMRAS heeft reeds verschillende resultaten geboekt.
 

Geschiedenis van de radioastronomie

(19 jun 2009)    In een historisch overzichtje van de CAMRAS presentatie worden de antennes getoond die gebruikt werden bij de eerste ontdekkingen van de radiostraling uit het heelal. Arthur Edwin Kenelly (1861-1939, bekend van de Kennely-Heaviside laag, de oude naam voor de ionosfeer) had in de beginjaren van de radio gekonstateerd dat er ruis van de zon scheen af te komen.

Het was echter pas in 1932 toe Karl Jansky (1905-1950) ontdekte dat die ruis niet exact na 24 terugkwam, maar 4 minuten per dag te vroeg. De storing kon daarom niet van de zon afkomstig zijn en kwam dus van ergens uit het heelal komen. Jansky werkte met een antenne array van 30 bij 7 meter op 21 MHz en kon daarmee door de ionosfeer kijken. Het zou later blijken uit aardse en satelliet metingen, dat de radioachtergrondstoring in onze 80 meter band voor een belangrijk aandeel afkomstig is uit de melkweg.

De radioamateur en ingenieur Grote Reber, W9GFZ, ging experimenteren op hogere frequenties. Op 3 GHz kon hij niets waarnemen. Daardoor ging hij in frequentie omlaag en bouwde een parabolische antenne op 160 MHz. Daarmee kon hij radiosignalen van de melkweg vastleggen en zo de ontdekking van Jansky bevestigen.

In Nederland voorspelde Henk van Hulst van de universiteit van Leiden dat waterstof, dat zich in grote hoeveelheden in de ruimte bevindt een radiosignaal op 1420 MHz zou moeten uitzenden. Samen met wijlen Lex Muller, PA0CAM en George de Bruin, PA0GY, werden vele uren in Kootwijk, in ploegendienst, geluisterd met behulp van een uit de oorlog overgehouden radarantenne. In 1951 werd inderdaad die zognaamde waterstoflijn aangetoond, Helaas niet door van de Hulst, maar door drie weken eerder door een team uit Harvard, USA. De apparatuur van van de Hulst had door een grote brand een cruciale vertraging opgelopen.

Deze ontdekking was de aanleiding tot de bouw van een grote parabolische antenne bij Dwingeloo. Met deze radiotelescoop werd het radiobeeld van de melkweg in kaart gebracht.
ASTRON, de Stichting die voor NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek, radioastronomie bedrijft, heeft het werk met de Dwingelo telescoop, ingeruild voor grotere, meer ambitiezue projecten. We noemen onder andere de Westerbork synthese telescoop en het nieuwe project LOFAR.

De 25 meter parabool stond jaren ongebruikt, totdat een groep radioamateurs onder leiding van Robert Langenhuysen, PA0RYL, het plan oppakte om hem een tweede leven te geven. Daartoe werd de stichting CAMRAS opgericht, waarin een grote groep vrijwilligers actief het herstel op zich heeft genomen.
De telescoop is nu in een dergelijke staat dat er regelmatig mee ge-experimenteerd wordt. Veel activiteiten met EME verbindingen kunnen online via het internet worden gevolgd. De antennegain is hoog, 27 dB op 2 meter. Daardoor is het voor amateurs met een eenvoudige 10 elements Yagi en een legaal vermogen ook mogelijk om via de maan verbindingen te maken met het amateurstation, PA9CAM,

Naast verdere opknapprojekten worden er toepassingen bedacht voor de toekomst, waaronder een plan om een rol te spelen bij een eventuele missie naar mars van een amateur satelliet.

() 

Referenties, informatie:

CAMRAS website
Henk van de Hulst biografie

CAMRAS telescoop
CAMRAS telescoop



Jansky antenne
Jansky antenne

Reber antenne
Reber antenne

lll