Geboren op 16 maart 1789 in Erlangen, Beieren. Overleden op 6
juli 1854 in Muenchen. Georg Simon Ohm kwam uit een protestants
gezin. Zijn vader, Johan Wolgang Ohm, was slotenmaker, zijn moeder,
Elizabeth Beck was dochter van een kleermaker. Hoewel zijn
ouders niet veel opleiding hadden gehad, was Ohm's vader een
opmerkelijke man, die zichzelf tot een hoog peil had opgewerkt.
Hij was zodoende in staat zijn zoons door zijn lessen een
uitstekende opvoeding te geven aan Georg Simon en zijn broer Martin
die een bekende wiskundige zou worden. Hun vader bracht hen op
een hoog peil in wiskunde, natuurkunde en filosofie.
Na een studie aan de Universiteit van Erlangen werd Ohm leeraar wiskunde
aan diverse universiteiten. Op 11 september 1817 werd hij docent
wis- en natuurkunde aan het Jesuiten Gymnasium van Keulen. Dit
was een betere school volgens hem dan alle voorgaande. Hij had
een goed uitgerust natuurkundig laboratorium ter beschikking,
waar hij zijn zijn eigen onderzoek deed op het gebied van electriciteit.
Hij ging, nadat hij de ontdekking van het electromagnetisme door Oersted in 1820 had vernomen, verder onderzoek
doen. Hij was ervan overtuigd, dat, wat wij nu de 'Wet van Ohm'
noemen, juist was, namelijk dat de verhouding van de stroom door
de meeste materialen in relatie stond met de spanning en de
lengte van de draad. Hij publiceerde zijn verhandeling in 1825.
In twee belangrijke verhandelingen in 1826 gaf Ohm een wiskundige
beschrijving van geleiding in schakelingen naar het model van
Fouries studie over warmtegeleiding. Deze verhandelingen gaan in
op de gevolgen van de resultaten van experimentele bewijzen en,
vooral in de tweede, was hij in staat wetten voor te stellen,
die de resulaten van andere, werkend met galvanische elektriciteit
konden verklaren. Deze tweede verhandeling was zeker de
eerste stap naar de uitgebreide theorie, die Ohm gaf in zijn
beroemde boek, gepubliceerd in het volgende jaar.
Wat nu bekend
is als de 'Wet van Ohm', verschijnt in dit beroemde boek 'Die
galvanische Kette, mathematisch bearbeitet', in 1827, waarin hij
zijn complete theorie van de elektriciteit geeft. Het boek
begint met de wiskundige achtergrond, die noodzakelijk was om de
rest van het werk te begrijpen. We moeten hierbij opmerken, dat
het noodzakelijk was, zelfs voor de leidende Duitse natuurkundigen,
zo een wiskundige wiskundige achtergrond, om het werk te
begrijpen, want toen werd de natuurkunde nog op niet-wiskundige
wijze benaderd. En ook, dat ondanks Ohm's pogingen in zijn
inleiding, hij niet erg succesvol was in het overtuigen van de
oudere Duitse natuurkundigen, dat de wiskundige benadering de
enige juiste was.
Elektriciteit was niet het enige onderwerp wat Ohm onderzocht,
in 1843 gaf hij een u iteenzetting over de oorspronkelijke
grondbeginselen van de fysiologische geluidsleer, betreffende
de wijze waarop men samengestelde tonen hoort.
In 1849 kreeg hij een post als curator van het Beiers Academie
Natuurkundig Kabinet en gaf ook les aan de Universiteit van
Muenchen. Pas in 1852, twee jaar voor zijn dood kreeg Ohm zijn
levenslange ambitie, de leerstoel voor natuurkunde aan de Uni-
versiteit.